Meteen naar de inhoud

Goudkorrels opgraven

    Afgelopen zondag ging de preek van Piet Vliegenthart over goudkorrels die je kunt opdiepen uit de bijbelverhalen. Neem deze woorden met je mee en kijk welke goudader je zelf kunt aanboren bij het lezen in de Bijbel.

    Teksten: Genesis 18:16-33 en Lucas 11:1-13

    Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

    Lezen in de bijbel heeft iets van het zoeken naar goud. Met een schop, een pikhouweel. Graven, totdat je gevonden hebt. Vaak is dat een zware klus. Door de mensenwoorden heen delven naar het Woord van God. Levenscheppend. Maar hier, in dit 18e hoofdstuk van Genesis ligt het goud bijna voor het óprapen. Zo klaar en helder. Waar je je schop hier in de grond zet, je stuit op goud. Op goudkorrels. Werkelijk ongelooflijk. Het lijkt ons zo wel in de schoot geworpen te worden. Wanneer ik ga graven in dit verhaal, dan tel ik zo al snel 5 kostbare goudkorrels. Een hand vol. Om mee op weg te gaan, om mee te leven. Zoekt u met mij mee?

    De lezing is begonnen halverwege het 18e hoofdstuk. Vlak tevoren wordt ons verteld dat er drie mannen op bezoek komen bij Abraham, dat hij hen uiterst gastvrij ontvangt, het hen aan niets laat ontbreken. Opnieuw klinkt dan de belofte van een zoon, over één jaar. Was het al eerder Abraham die daarom lacht, cynisch, ongelovig, nu is het Sara. Maar dít lachen zal hen beiden vergaan. Er komt een zoon, zeker, Isaäk, zijn naam betekent “gelachen”. Vreugdelach, hoe anders.
    En nu doet Abraham de drie mannen uitgeleide. Ze vertrekken in de richting van Sodom. Twee gaan er vast vooruit. Eén blijft er nog staan. Waarom? Waar wacht die op, waarom gaat die niet mee? De schrijver van Genesis gunt ons een kijkje in wie die Ene is. Wie daarachter schuil gaat. Dat is God Zelf. Waarom talmt God? Hij heeft Abraham zonet verteld wat Hij van plan is, wilde hem dat niet verzwijgen. Abraham, die ene gelovige, door God weggeroepen om op weg te gaan. Hij, met wie het allemaal begonnen is, een beweging die zich zal uitstrekken tot alle volkeren. Abraham door God gekend. “Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?” En Hij vertelde het hem. Over Sodom en Gomorra. Het geroep over wat daar gebeurt, het onrecht, de zonde die daar heerst, is zo groot, dat Hij Zelf daar wil gaan kijken. Kan God zijn eigen oren niet geloven? Dat vertelt Hij, de Eeuwige, aan Abraham, zijn vriend. Dan gaan de andere twee verder, maar God blijft nog staan. Ja, in onze vertaling hoorden we dat Abraham nog bleef staan voor de HERE. Maar er is een lezing die het omgekeerde zegt. Gód blijft nog staan. De rabbijnen die de redactie van de uiteindelijke tekst eeuwen geleden vaststelden, zouden het hebben omgekeerd. Om te schrijven dat God zou wachten, zou blijven staan bij Abraham, God als een soort van dienaar, was dat niet al te gewaagd…? Hoe dan ook, God gaat niet mee met die twee anderen. Hij wacht. Waarop?
    God wacht op de voorbede van Abraham. Op zijn gebed. Voor wie? Voor Sodom en Gomorra. Met welk doel? Dat God het oordeel aan deze steden, zo onvoorstelbaar boos en zondig, niet zal voltrekken. Dat dat oordeel teniet zal worden gedaan. God geeft Abraham inspraak in zijn plannen. En Abraham maakt daar vrijmoedig en royaal gebruik van. Zeurt God de oren haast van het hoofd in een gebed, zo levendig, zo vol dynamiek en dynamiet. Dat is de eerste goudkorrel. Met het blote oog zichtbaar. Met handen te tasten. Mondigheid. Inspraak. God geeft daar alle ruimte voor. Hij wil mensen betrekken bij wat Hij doet, bij wat Hij van plan is. Hij zet zijn spoor niet uit zonder overleg met zijn mensen. Hij wil hen daar in kennen. Wat Hij wil is geen noodlot dat over ons heen komt, geen vooruit gestippeld plan. Nee, dan zou alle bidden tevergeefs zijn. Nee, God wil zich laten verbidden, op andere gedachten laten brengen. Want Hij is geen ongevoelig, dood systeem, maar Hij is de Levende, die mensen opwekt uit de dood om met levenden te verkeren. Dat is toch schitterend? Zoals het Jezus zelf is die zijn leerlingen leert bidden, inspraak geeft, betrekt bij wat God doet. Een eerste goudkorrel. Zo voor het oprapen. Je moet wel stekeblind zijn om die niet te zien. We rapen hem op, bewaren hem goed en “zoeken” verder. Onze dag kan al niet meer stuk. Deze dag, deze dienst, deze preek… (vind ik). Geen ja-knikkers wil God, maar inspraak.

    Met welke argumenten probeert Abraham God van gedachten te laten veranderen? Het eerste argument klinkt ons heel redelijk in de oren. “Zult Gij de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen?” Je kunt toch niet alles over één kam scheren? Maar Abraham gaat verder: Kunt u die stad geen vergiffenis schenken als er 50 rechtvaardigen in haar zijn? Abraham wil er dus niet van weten dat God het kaf van het koren zou scheiden. Nee. het gaat hem om het behoud van allen, ook van hen, zo door en door slecht dat er geen redden meer aan lijkt te zijn. Abraham treedt hier in voor een vijandige, voor een goddeloze wereld. Hij roept geen “schande”, “sjonge, jonge, moet je dat nou eens zien!” Hij roept “Kyrië, Heer, ontferm U!” Als het goed is dan wint in de gemeente het “Kyrië” het van het roepen van “schande!” Er is een bewogenheid om mensen, mensenkinderen die niet weten wat ze doen. Zoals Jezus zal bidden: “Vader vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen.” Wat Abraham hier aan God voorhoudt is vijandsliefde van zuiverste water. Voorbede voor hen die met God niet willen rekenen. Tegen Gods bedoeling in. Voorspraak, inspraak bij wijze van tegenspraak.

    Laat God zich dit welgevallen? Gaat Abraham hierin niet te ver? Nee. Geenszins, zo blijkt. God geeft direct aan hem toe. En Hij pakt daarbij nota bene het tweede argument van Abraham op: Indien Ik te Sodom 50 rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik de gehele stad vergiffenis schenken om hunnentwil.” Goudkorrel nr. 2 Vijandsliefde. Na die eerste: mondigheid. Hier: “Hebt uw vijanden lief, bidt voor wie u vervolgen…”

    We zoeken verder. Wat gaat er een diepte schuil in die voorbede van Abraham. In de ruimte die God hem geeft zijn zegje te doen. God die daar blijkbaar op wacht. Hem daar royaal de gelegenheid voor geeft. En Abraham laat die kans niet onbenut, maar zoekt en vraagt en zeurt. Gaat afpingelen n.b. Als er nu 5 minder zijn. Geen 50 rechtvaardigen, maar 45. Het zal toch aan die 5 die ontbreken niet mogen liggen. Daar zál het ook niet aan liggen, zo zegt God hem. En veertig? En dertig? En twintig? En tien? En steeds weer spreekt God tot Abraham: Ik zal haar niet verwoesten terwille van dat getal van rechtvaardigen.
    Abraham zoekt naar Gods vergiffenis voor Sodom. Hij waagt zich in de vlam van Gods toorn en zoekt en vraagt. Herinnert God aan wie Hij is. Doet een beroep tegen God op God Zelf. Houdt de Eeuwige een spiegel voor. Zoekt naar genade voor mensen die verloren dreigen te gaan in boosheid en zonde. Hoopt Abraham dat zij zich zullen bekeren? Is hij van plan om straks naar die steden toe te gaan om hen de waarheid aan te zeggen? Ik denk het niet. Zou dat effect hebben gehad? Was Abraham zelf zo’n lichtend voorbeeld? Nee, hij zoekt naar de genade van God. Daar gaat het hem om. Om niets anders. Om een God die laat leven. En dat is de derde goudkorrel. Na de mondigheid, na de vijandsliefde, de genade van God. In een levendige ontmoeting. Want nogmaals: God is geen systeem, geen dode God, niet onbewogen, nee Hij is de Levende.

    50 rechtvaardigen, 45, 40, 30, 20, 10. Dat is het minimum. Het klinkt de joodse lezer overbekend in de oren. Wil er een samenkomst in de synagoge zijn, dan moeten er minstens 10 volwassen mannen zijn, anders gaat het niet door. Het zg. minjan. Zoals er 10 geboden zijn en zoals er in het scheppingsverhaal tot 10x toe staat geschreven: “En God zeide”. 10, je kunt het op je vingers natellen. Hier: 10 rechtvaardigen, tot behoud van een hele stad. Wat geeft dat te denken… In de bijbel gaat het meestal niet om zoveel mogelijk. Maar om zo weinig mogelijk. Niet om het maximum haalbare, maar om het minimum dat nodig is. Het gaat in de bijbel niet om de macht van het getal, maar om de invloed die enkelen kunnen hebben op het geheel. Zoals gist dat het deeg doortrekt. Niet meer terug te vinden, maar al te zeer merkbaar. Wat een vreemd denken is dat. Wat staat dat haaks op ons tellen van neuzen. Van het dagelijkse leven tot in de politiek: wie heeft de meerderheid? In de bijbel wordt zo niet gedacht. Als Jezus tot zijn discipelen zegt dat zij het zout der aarde zijn, dan is dat diezelfde bijzondere benadering. Zout, wat zie je ervan? Maar je proeft het en weinig zout meer of minder kan bepalend zijn voor de smaak. Maar in de bijbel is zout niet allereerst een smaakmaker, maar dient het om bederf tegen te gaan, om het voedsel te bewaren. Zoals die rechtvaardigen hier: Sodom behoeden tegen bederf, tegen ondergang.
    Goudkorrel vier. Na de mondigheid(1), de vijandsliefde(2), de genade van God(3): wat klein is kan veel (4), de rol van rechtvaardigen. Zij passen zich niet aan. Trekken ook geen muur op tussen zichzelf en de boze wereld. Leven tegendraads, doen wat van godswege gedaan moet worden, in gerechtigheid en vrede, zijn onmerkbaar van invloed. Met het oog op alle anderen. Een eigen spoor, een eigen lijn. Niet tegenover, maar midden in een boze en goddeloze wereld. Valt dat op? Soms wel, maar vaak ook niet. Maar ondertussen….

    Op zoek naar een laatste goudkorrel. Met handen te tasten. Het is eigenlijk geen aparte goudkorrel. Nee, het is de goudader zelf die hier wordt blootgelegd. Waar die vier eerste goudkorrels uit zijn opgeraapt. Want wat hier wordt verteld, dat is toch voluit de weg van de Messias. De weg van Jezus. In die mondigheid van Abraham, die vriend van God (1). Jezus, Zoon van God, die voor ons mensen intreedt bij de vader. Die zijn discipelen heeft voorgehouden en het zelf ook heeft waar gemaakt: hebt uw vijanden lief (2). Die in de toorn van God de weg heeft vrijgemaakt naar de genade (3). Abraham dingt af, van 50 tot 10. Verder gaat hij niet. Het blijkt niet genoeg te zijn. Had hij verder moeten gaan? Nog minder? Of is 10 een absolute grens? In de bijbel niet. Daar leeft op verschillende plaatsen het besef dat als er maar één is die rechtvaardig is, dat die ene dan al genoeg is. In Jeremia (5:1) lezen we: “Zwerft rond in de straten van Jeruzalem, ziet toch en speurt na, zoekt op mijn pleinen, of gij iemand vindt, of er een is die recht doet, die oprechtheid betracht, dan zal Ik haar vergeven.” Eén slechts. En we denken aan die ene, die Rechtvaardige, Jezus Christus (4).

    Geen vijf goudkorrels, maar vier, afkomstig uit een goudader die de hele Schrift doortrekt. Het geheim van de Messias. Het geheim van Gods liefde. Het vuur dat brandt, maar niet verteert. Waarbij wij worden uitgedaagd om te leven, voluit, mondig, liefdevol, zoekend en vragend, zelf geroepen zout en licht te zijn.

    Hoe staan wij in onze wereld, die op zovele manieren in kwaad gevangen is? De crises die de voorpagina’s van onze kranten vullen. Onthutsend. Hoe vaak denk je niet: dit kan toch niet waar zijn? En toch… Sodom en Gomorra… We mogen ons laten leren door wat hier in Genesis 18 wordt verteld. Om opnieuw te beseffen wie we zijn, waar we van Godswege op worden aangesproken. Waar God ons toe uitdaagt, als Hij bij ons blijft staan, in de ruimte die Jezus ons geeft.
    Dat die wereld van ons nog steeds doordraait… Dat daar nog steeds geen einde aan is gemaakt. Zoals indertijd wel aan Sodom en Gomorra… Is er niet alle reden toe? Schande! Maar nee, beter is het te bidden, te roepen: “Heer, ontferm U!” Dat onze wereld bewaard zal worden vanwege die Ene rechtvaardige, Jezus Christus, die zichzelf heeft uitgezaaid in de gemeente, wereldwijd. Waar steeds opnieuw mensen zijn die voorbede doen bij wijze van tegenspraak, waar ook steeds weer rechtvaardigen zijn, mensen die het wagen metterdaad met God en voor hun naaste te leven…